Die of dat?
Gebruik die bij een de-woord en bij een meervoud: de fiets die, de fietsen die. Gebruik dat bij een het-woord: het huis dat.
De regel
Het lidwoord van het woord dat je noemt, beslist. Weet je het lidwoord niet, kijk dan of je 'dit' of 'deze' zou zeggen: deze fiets, die fiets; dit huis, dat huis. Verwijs je naar een hele zin, dan is het dat: hij komt niet, dat is jammer.
Goed en fout
| Goed | Fout |
|---|---|
| De tas die daar staat. | De tas dat daar staat. |
| Het boek dat ik las. | Het boek die ik las. |
| De boeken die ik las. | De boeken dat ik las. |
Veelgemaakte fouten
- Altijd die schrijven omdat dat in de spreektaal vaak hetzelfde klinkt.
- Dat gebruiken bij een meervoud.
Uitzonderingen
Na een voorzetsel kan wat in plaats van dat staan: het huis waar ik in woon, naast het huis waarin ik woon. Dat is een andere keuze dan die of dat. Verwijs je naar een persoon, dan blijft die of dat het betrekkelijk voornaamwoord: de vrouw die, het kind dat.
Veelgestelde vragen
Zeg je 'het meisje die' of 'het meisje dat'?
Het meisje dat. Meisje is een het-woord, ook al gaat het over een persoon.
En bij een meervoud van een het-woord?
Die. De huizen die, niet de huizen dat.
Verder lezen
- Word of wordt?Schrijf word bij ik. Schrijf wordt bij hij, zij, het en u. In een vraag of een zin die met je of jij begint, valt de t weg: word je mee?
- Gebeurt of gebeurd?Gebeurt is de tegenwoordige tijd: het gebeurt. Gebeurd is het voltooid deelwoord: het is gebeurd.
- Bedoeld of bedoelt?Schrijf hij bedoelt in de tegenwoordige tijd. Schrijf bedoeld als voltooid deelwoord: dat is bedoeld.
Laatst bijgewerkt: 1 oktober 2026