Hun of hen?
Hun is bezittelijk: hun huis. Hen is het lijdend voorwerp en de vorm na een voorzetsel: ik help hen, ik ga met hen. Hun zonder zelfstandig naamwoord is in verzorgde schrijftaal ook het meewerkend voorwerp: ik geef hun een boek.
De regel
Staat er een zelfstandig naamwoord achter, dan is het hun: hun sleutel, hun kinderen. Zie je het woord als persoon, zonder zo'n naamwoord, kies dan hen na een voorzetsel en als lijdend voorwerp. In spreektaal hoor je vaak overal hun. In een brief of een artikel is het onderscheid de gewone schrijfwijze.
Goed en fout
| Goed | Fout |
|---|---|
| Ik ga met hen mee. | Ik ga met hun mee. |
| Dat is hun fiets. | Dat is hen fiets. |
| Zij heeft hen gezien. | Zij heeft hun gezien. |
Veelgemaakte fouten
- Hun schrijven zodra het over een groep gaat, ook na met, van of voor.
- Hen voor een zelfstandig naamwoord zetten: hen fiets.
Uitzonderingen
Het meewerkend voorwerp zonder voorzetsel is hun: ik geef hun het boek. Zet je er 'aan' voor, dan wordt het hen: ik geef het boek aan hen. Veel schrijvers kiezen in die laatste zin ook hen na aan, en hun alleen bij een bezit. Beide komen voor; deze site houdt het schoolonderscheid aan en noemt het zo.
Veelgestelde vragen
Is 'met hun' fout?
Als je de personen bedoelt wel: met hen. Met hun fiets is juist, want hun hoort bij fiets.
Zegt iedereen hen?
Nee. In gesproken Nederlands is hun heel gewoon. De schrijftaal maakt wel verschil.
Verder lezen
- Word of wordt?Schrijf word bij ik. Schrijf wordt bij hij, zij, het en u. In een vraag of een zin die met je of jij begint, valt de t weg: word je mee?
- Gebeurt of gebeurd?Gebeurt is de tegenwoordige tijd: het gebeurt. Gebeurd is het voltooid deelwoord: het is gebeurd.
- Bedoeld of bedoelt?Schrijf hij bedoelt in de tegenwoordige tijd. Schrijf bedoeld als voltooid deelwoord: dat is bedoeld.
Laatst bijgewerkt: 1 oktober 2026