Liggen of leggen?
Liggen beschrijft waar iets is: de sleutel ligt op tafel. Leggen is iets ergens neerzetten: ik leg de sleutel op tafel.
De regel
Liggen vervoeg je als ik lig, jij ligt, hij ligt, wij liggen. De verleden tijd is lag, het deelwoord gelegen. Leggen vervoeg je als ik leg, jij legt, hij legt, wij leggen. De verleden tijd is legde, het deelwoord gelegd. Leggen is een zwak werkwoord en krijgt -de, omdat de g niet in 't kofschip zit.
Goed en fout
| Goed | Fout |
|---|---|
| De kat ligt op de stoel. | De kat legt op de stoel. |
| Ik leg de jas op de stoel. | Ik lig de jas op de stoel. |
| Het boek lag open. | Het boek legde open. |
Veelgemaakte fouten
- Legt schrijven als iets alleen maar ergens is.
- Lag en legde door elkaar halen.
Uitzonderingen
In 'zich neerleggen bij' en 'er de vinger op leggen' is leggen een vaste uitdrukking, geen beschrijving van een plek. Liggen in 'dat ligt aan' betekent oorzaak, niet een horizontale stand.
Veelgestelde vragen
Is 'de sleutel legt daar' fout?
Ja, als je de plek bedoelt. De sleutel ligt daar.
Wat is de verleden tijd van liggen?
Lag: het lag op tafel. Niet legde.
Verder lezen
- Word of wordt?Schrijf word bij ik. Schrijf wordt bij hij, zij, het en u. In een vraag of een zin die met je of jij begint, valt de t weg: word je mee?
- Gebeurt of gebeurd?Gebeurt is de tegenwoordige tijd: het gebeurt. Gebeurd is het voltooid deelwoord: het is gebeurd.
- Bedoeld of bedoelt?Schrijf hij bedoelt in de tegenwoordige tijd. Schrijf bedoeld als voltooid deelwoord: dat is bedoeld.
Laatst bijgewerkt: 1 oktober 2026