HandigWeten.nl

Liggen of leggen?

Liggen beschrijft waar iets is: de sleutel ligt op tafel. Leggen is iets ergens neerzetten: ik leg de sleutel op tafel.

De regel

Liggen vervoeg je als ik lig, jij ligt, hij ligt, wij liggen. De verleden tijd is lag, het deelwoord gelegen. Leggen vervoeg je als ik leg, jij legt, hij legt, wij leggen. De verleden tijd is legde, het deelwoord gelegd. Leggen is een zwak werkwoord en krijgt -de, omdat de g niet in 't kofschip zit.

Goed en fout

GoedFout
De kat ligt op de stoel.De kat legt op de stoel.
Ik leg de jas op de stoel.Ik lig de jas op de stoel.
Het boek lag open.Het boek legde open.

Veelgemaakte fouten

  • Legt schrijven als iets alleen maar ergens is.
  • Lag en legde door elkaar halen.

Uitzonderingen

In 'zich neerleggen bij' en 'er de vinger op leggen' is leggen een vaste uitdrukking, geen beschrijving van een plek. Liggen in 'dat ligt aan' betekent oorzaak, niet een horizontale stand.

Veelgestelde vragen

Is 'de sleutel legt daar' fout?

Ja, als je de plek bedoelt. De sleutel ligt daar.

Wat is de verleden tijd van liggen?

Lag: het lag op tafel. Niet legde.

Laatst bijgewerkt: 1 oktober 2026